Mijn eerste nacht in Afrika

Mijn eerste nacht in Afrika is nu bijna tien jaar geleden. Maar ik hoef niet in mijn herinneringen te graven om er iets over te vertellen. Integendeel. Hij staat in mijn geheugen geprent als de nacht van gisteren.

Ik heb wat last van vliegangst, daarom had ik een aantal jaren niet gevlogen. Dus het was met een mengeling van spanning en ontzag dat ik op een ochtend op Schiphol in het blauw met witte vliegtuig stapte dat ons in ongeveer acht en een half uur naar Kilimanjaro Airport in Tanzania zou brengen.

De Boeing 777 (spreek uit Triple Seven, zoals ik later zou leren) vloog via Duitsland, de Alpen en Griekenland. De grens van het Afrikaanse continent, de kustlijn, was vanuit het toestel duidelijk herkenbaar. Door het heldere weer leek het rode woestijnstof, wat ik tot dan toe alleen van de televisie kende, vanaf ruim tien kilometer hoogte heel dichtbij. Het feit dat het bereiken van de grens met Afrika ons nog niet op de helft van de reis naar Tanzania had gebracht, deed mij beseffen hoe klein Nederland en Europa zijn, vergeleken bij Afrika. Terwijl iedereen films keek in het vliegtuig, staarde ik non-stop naar ‘flight tracking’ om dit idee dieper tot mijzelf door te laten dringen.

Kilimanjaro Airport

Het zal rond een uur of zes Nederlandse tijd geweest zijn, Tanzaniaanse tijd circa acht uur, dat de piloot vanuit de cockpit de naderende landing aankondigde. Het was inmiddels pikdonker. En donker is in Afrika ook echt donker. Drie kwartier later kwam het toestel tot stilstand op het platform bij de aankomsthal van Kilimanjaro Airport. De cabineverlichting ging aan, en uit de speaker klonk: ‘cabine crew, doors may be opened now’. Even later liep ik de vliegtuigtrap af. Ik voelde onmiddellijk de warmte. En toen ik naar de aankomsthal liep, voelde ik ook de wind die de eerste Afrikaanse adem in mij blies. Ik keek om en zag de blauwe reus in al zijn glorie in de spotlights staan. Het was onmiskenbaar het grootste vliegtuig wat er op het vliegveld te vinden was.

Vanaf dat moment was alles anders. Het grondpersoneel met fluorescerende vestjes wees ons met zaklampen de weg. Routineus Engels sprekend maar slecht verstaanbaar. Ik zou daar nog aan moeten wennen. Eenmaal binnen, tl-licht, verschillende rijen voor de loketten. Voor reizigers met een visum en voor mensen zonder. Een bruine pakketvloer en een geur die ik niet kende, maar die ik later nog heel veel zou tegen komen. Een zoetige, caramelachtige lucht, waarvan de herkomst mij onduidelijk was. De eerste onschuldige signalen van milde corruptie: sommige mensen (die daar kennelijk voor betaald hadden) werden duidelijk sneller geholpen bij de visum afhandeling dan anderen. Elektronische vingerafdrukken. Onverstaanbare vragen over het ingevulde in-reis formulier die je toch weet te beantwoorden. Al met al binnen een goed half uur door de douane en wachten op je koffers. Ook dat gaat vlot.

Op weg naar Moshi

Omdat wij opgehaald worden, hebben we geen last van de talloze drivers die je tegen betaling van een fooi willen helpen met je bagage. Na de begroeting verlaten wij het kleine airportgebouw en lopen gezamenlijk met een kar vol koffers de zoet-warme Tanzaniaanse avondlucht in. De parkeerplaats is anders dan op Schiphol. Geen Audi’s en BMW’s, maar Landrovers, Landcruisers en minivan’s en omringd met weelderig groen. Ik kom hier al ogen en oren te kort en zou graag langer om mij heen kijken, maar het gezelschap heeft geen tijd en wil verder. De avonddis wacht tenslotte nog.

We rijden links. Een erfenis van de koloniale overheersing door de Engelsen. Het is een krap uur naar ons hotel in Moshi. Voor Tanzanianen een heel gewoon ritje, maar ik kijk mijn ogen uit. Zo goed en zo kwaad als dat gaat in het donker, want straatverlichting is er niet of nauwelijks. De tweebaans asfaltweg heeft ook vrijwel geen belijning. We voelen een flinke hobbel. ‘Waarschijnlijk een dode hond’ zegt onze chauffeur rustig. Als we op de A4 een auto zien met maar één koplamp, dan valt dat onmiddellijk op. Hier is het omgekeerde het geval. Langs de weg kuddes met geiten waarvan de hoeders nog geen twaalf jaar oud lijken te zijn. Ertussen lopen wat ezels. Talloze vuurtjes. We passeren het dorp Boma Ngombe met een kruispunt. Hier worden groenten verkocht. In kleurige plastic emmers liggen uien, tomaten, wortels en avocado’s keurig in piramidevorm opgestapeld. Vrouwen dragen god mag weten wat op hun hoofd. We zien fietsen met zoveel brandhout achterop gestapeld dat de fietser niet meer te zien is. Vanzelfsprekend zonder licht. Dit allereerste uur op Tanzaniaanse bodem maakt al een verpletterende indruk op mij. En we hebben nog drie weken te gaan…

MCF Kilimanjaro Lodge

We komen aan bij ons hotel. Een eenvoudig hotel met tien kamers wat in feite de praktijkschool blijkt te zijn van de Mama Clementina Foundation, een middelbare school voor meisjes. Niettemin een heel vriendelijk, gastvrij hotel met een prachtig binnenterrein met weelderige bomen en een comfortabele veranda waar de tafel voor ons al gedekt is. Een vredige plek waar het prima bijkomen is van een reis die vanmorgen vroeg op Schiphol begon en die ons nu ruim tienduizend kilometer verder naar deze oase heeft gebracht. Ons eerste Tanzaniaanse diner wacht op ons, een nacht met Afrikaanse geluiden licht in het verschiet, evenals een fantastisch ontbijt met naast roerei ook papaja’s, mango’s, watermeloen en avocado’s. Het kan slechter…

MCF Kilimanjaro Lodge: www.makasatanzania.com

Geef een reactie